diagnostiek laten doen?

Toen ik vier jaar geleden een vermoeden van autisme bij mijzelf kreeg, had ik het dringende gevoel dat ik dat dan ook “bevestigd wilde zien”. Ik heb mezelf verwezen naar een psycholoog, waarvan ik wist dat diegene veel ervaring had met het stellen van de diagnose bij meisjes en vrouwen.
De diagnose krijgen gaf enerzijds heel veel duidelijkheid en was een opluchting. Maar anderzijds was de diagnose ook een grote klap. En ik wist niet of ik er wel huisarts mee kon blijven. Zie mijn opiniestuk hierover op autisme.nl: http://www.autisme.nl/autisme-nieuws/oktober-2017/opinie.aspx.
Inmiddels ben ik vier jaar verder en kijk ik heel anders tegen het fenomeen autisme aan. De diagnose wordt de laatste tien jaar ontzettend veel gesteld, zowel bij jonge kinderen als bij volwassenen. Geen wonder dat ook artsen kenmerken van autisme bij zichzelf gaan ontdekken/ vermoeden. Dat ligt volgens mij niet alleen aan het feit dat er “nu meer oog komt voor autistische kenmerken”, maar ook aan twee andere, gelijktijdige, ontwikkelingen in vooral onze westerse maatschappij:

1. De psychiatrie/psychologie is in grofweg 70-80 jaar tijd steeds anders over het fenomeen autisme gaan denken en communiceren/ publiceren. Men is ook steeds anders gaan diagnosticeren. Met andere woorden; in de jaren ’70 van de vorige eeuw (ik was toen kind) werd ik niet als autist herkend omdat het gedrag dat ik toen vertoonde niet passend werd geacht bij autisme. En anno 2014 kwam ik wel in aanmerking voor het label ASS. Zie ook het proefschrift “autism’s anatomy” van psychiater en wetenschapsfilosoof Berend Verhoeff hierover, of een filmpje van hem op Autisme TV: “autisme kritisch bekeken” : https://www.youtube.com/watch?v=Ay33P-hZNgc. De psychiatrie is dus zelf veranderd. Maar van dit gegeven is men zich onvoldoende bewust.
2. De westerse maatschappij is ook veranderd. Individualistischer, ontzuild, minder sociale cohesie, meer prestatiedruk. Zelfs kleuters worden tegenwoordig getest, op consultatieburo’s worden babies al langs de lat van het gemiddelde gelegd. Op school krijgen kinderen al bewust en onbewust bijgebracht dat ze moeten presteren. Er is weinig aandacht -maatschappijbreed- voor reflectie en bezinning en ontspanning. Er ligt tegenwoordig heel veel nadruk op de wetenschap. Wetenschap is “absoluut” geworden, het geloof in breinonderzoek (te) groot. Veel kinderen en mensen kunnen de hoge eisen en verwachtingen niet aan en vallen buiten de boot. Dat wordt vervolgens los van de maatschappelijke ontwikkelingen gezien; dit zou liggen aan “afwijkingen” in het brein van die kinderen en mensen. Dus de schuld wordt bij het individu gelegd en de maatschappij kan de handen in onschuld wassen. Een hausse aan labels als ADHD, ASS, ODD enzovoort is het gevolg. Maar ook burnout (onder artsen) en depressie en andere psychische problemen. In mijn optiek creëert onze maatschappij, wij met z’n allen, autisme. In Afrika is bijvoorbeeld in een aantal landen oorlog en/of hongersnood. Ik denk niet dat daar één mens zich druk maakt over de vraag of haar kind ADHD of ASS heeft. Daar is vaak wél meer geloof en sociale samenhang en minder eenzaamheid.

Er vragen mij mensen, artsen, of zij met een vermoeden van autisme bij zichzelf “het traject in zullen gaan”. Als ik nu advies moet geven, zou ik zeggen: staar je niet blind op of je wel of niet autisme hebt. Voor de problemen die ik had, vind ik “autisme” een veel te zware psychiatrische diagnose. Als ik de balans nu opmaak, vind ik dat ik met dit zware label weinig ben opgeschoten. Wanneer je -als arts met een vermoeden van autisme bij jezelf- voor diagnostiek wordt doorverwezen met die vraag, krijg je de diagnose vast wel. Maar dan heb je er dus wel een paar problemen bij, want autisme bij de dokter is best wel een taboe. Moet je het vertellen bij je sollicitatie tot een opleidingsplek bijvoorbeeld?

Verder is mijn advies; doe je voordeel met het inzicht dat je autistische kenmerken hebt. Voor mij waren dat de twee inzichten dat ik extreem (prikkel) gevoelig ben en dat ik sommige informatie traag verwerk. Ik bouw de laatste jaren rustmomenten in, over de dag verdeeld en verg niet te veel van mezelf in sociale contacten. In mijn vrije tijd “beperk ik verder input die belastend voor me is” zoals beeldscherm-informatie (heftige beelden op TV). Ik neem tijd voor “mindfulness” zoals tegenwoordig leven met aandacht heet. Ik heb geleerd waar ik gelukkig van word. En waarvan of van wie ik energie krijg. Maar ik vraag me oprecht af of daar zo’n zwaar label voor nodig is geweest.