geef jonge mensen hoop

Een moeder vraagt mij om advies. Haar zoon is 17 jaar en zit in 5 VWO. Het is zijn droom om later arts te worden en dan het liefst chirurg. De jongen heeft een autisme-diagnose. Op school is tegen de moeder gezegd dat hij geen dokter kan worden omdat hij autisme heeft. Er bestaan geen dokters met autisme, aldus school.

Deze casus illustreert de problematiek van labels in een notendop. Op school wordt gedacht dat ‘autisme’ wat zegt over de kwaliteiten en beperkingen van de jongen. Dat zie ik veel gebeuren. Dat begrijp ik trouwens ook goed. Er is tegenwoordig veel aandacht voor autisme. Met sommige mensen met autisme gaat het echt niet goed. Logisch dat er op school wordt gedacht dat autisme een beperking is waarmee je geen arts kunt worden. Maar zo werkt het niet met labels. Daarom noem ik ze ook liever ‘labels’ dan ‘diagnoses’.

De ‘diagnose’ autisme wordt gesteld als een psychiater of psycholoog bepaalde gedragskenmerken ziet. Het is een benaming, een label, voor gedrag. Maar vervolgens gaat de omgeving het omdraaien en redeneren dat er ‘dus’ iets mis is met jouw brein. Of dat je je eigenschappen ‘door autisme hebt’. Of dat je dingen ‘niet kunt door autisme’. Dit fenomeen heet ‘reïficatie’ en zelfs psychiaters zijn zich hier niet allemaal van bewust. En reïficatie is schadelijk, in ieder geval voor degenen die worden gelabeld. Het is  schadelijk wanneer stereotypes over autisme -als een boemerang-  terugslaan op degenen die de diagnose hebben gekregen. Zeker als dit om kinderen gaat. Zij moeten hun identiteit nog ontwikkelen.

Steeds meer kinderen krijgen labels. Vervolgens wordt het gedrag van kinderen door de bril van hun label bekeken. Wat er ontbreekt is echte dialoog en echt luisteren naar elkaar. Kinderen worden op hun gedrag, op hun buitenkant, beoordeeld. En hoe zij zichzelf beleven en wat zij graag willen met hun leven; daar is steeds minder oog voor. Het leidt tot vervreemding van zichzelf, maar ook tot vervreemding van elkaar.

Toen ik in 2014 gelabeld werd met ASS, leidde dat eerst ook tot vervreemding van mijzelf en mijn naasten. Als ik het al -voorzichtig- aan mensen vertelde, leidde dat niet per se tot meer begrip. Integendeel, sommige mensen gingen mij anders bekijken doordat ze wisten dat ik ASS ‘had’. Wat mij ontzettend geholpen heeft, is juist de verbinding aan gaan met andere mensen. Ik herstelde doordat anderen echt naar mij luisterden en begrepen wat ik nodig had.

Hoogleraar pedagogiek Micha de Winter zei in 2017, bij zijn afscheidscollege, dat de opvoedingswetenschappen zich te eenzijdig hebben gefocust op individuele problemen van kinderen. En dat zij te weinig tegenwicht bieden aan het medicaliseren daarvan. De Winter: ‘Wat doet het met je wanneer je op jonge leeftijd al te horen krijgt dat je ADHD ‘hebt’, of dyslexie, of een oppositionele gedragsstoornis?’ Volgens De Winter sluiten we kinderen te snel en te makkelijk op in hun afwijking. Hij vindt dat we ons in opvoeding en onderwijs steeds zouden moeten afvragen hoe we jonge mensen kunnen helpen om met een hoopvolle en optimistische blik naar de toekomst te kijken. ‘Daar is een hoopgevende sociale pedagogiek voor nodig.’

Dit ben ik helemaal met hem eens. We hebben hoop nodig, niet alleen in de pedagogiek, ook binnen het onderwijs en ook binnen de geneeskunde. Ik heb de moeder antwoord gegeven en geschreven dat een autisme-diagnose, als het goed is, inzicht kan geven in jezelf of in elkaar. Het is niet zo dat een autisme-diagnose iets zegt over wat je wel of niet kunt. En als deze jongen daar de capaciteiten voor heeft en het graag wil, dan moet hij zijn hart volgen. Ik hoop dat hij zijn identiteit niet door een label laat bepalen.