overprikkeling

In de jaren voordat bij mij de diagnose autisme werd gesteld, was ik al met het fenomeen “overprikkeling” bezig. Ik denk trouwens dat veel meer mensen last kunnen hebben van overprikkeling, maar bij mij is het extreem snel het geval. Ver voordat ik het “prikkels” ging noemen, noemde ik het “indrukken”. Ik ben extreem gevoelig voor allerlei sensorische input; geluiden, TL-licht, onduidelijke situaties, onrecht, maar ook een goede of juist slechte sfeer. Ik was al vaak in mijn leven vastgelopen, zonder dat ik begreep hoe dat kwam. Het leek wel of ik veel meer last had van zaken waar anderen totaal geen moeite mee hadden. In 2008 had een coach geopperd dat ik “hoogsensitief” zou kunnen zijn. Een niet alom geaccepteerde diagnose, maar ik kon daar voor mijzelf wel redelijk mee uit de voeten.  De term “hoogsensitief” komt van psychotherapeut Elaine Aron. Volgens haar theorie is een deel -15 tot 20%- van de mensen erg gevoelig voor allerlei indrukken.

Er is weinig bekend en geschreven over het verband tussen autisme en hoogsensitiviteit. Toen ik net de diagnose autisme had gekregen, ben ik op zoek gegaan naar dat verband, wat er naar mijn idee wel moest zijn. Sinds 2008 dacht een coach immers dat ik hooggevoelig was en in 2014 dacht een GZ-psycholoog dat ik autisme had. Hoe zat dit?
In zijn boek “het elastiek tussen lichaam en ziel” uit 2008 legt psychotherapeut Hans Lemmens wel een verband tussen hoogsensitiviteit en autisme. Hij betoogt dat  mensen met autisme extreem gevoelig zijn, nog veel meer dan hoogsensitieve, of hooggevoelige, mensen. Volgens hem is er een grijs gebied tussen hoogsensitiviteit en autisme. Hij legt uit waarom hooggevoelige mensen zich soms af moeten sluiten: Ze zijn overbelast met indrukken, informatie, en moeten daarvan herstellen. Het is, soms onbewust, gedrag uit zelfbescherming.

Wat is overprikkeling? Voor mij is het alsof mijn hoofd helemaal vol zit, met allemaal indrukken die door elkaar flitsen. Mijn gedachten stoppen niet meer; één grote kermis van beelden, flarden van gesprekken en gedachten van mijzelf.  Ik kan in zo’n toestand hoofd- en bijzaken niet meer van elkaar onderscheiden. “Hoe kan ik dit stoppen?!” Stoppen lukt niet, het enige dat helpt is zoveel mogelijk afscherming van (TL) licht, geluid en andere mensen. Het duurt uren en soms dagen voordat het voorbij is. Ik stel me zo voor dat mijn brein snel volloopt zoals een emmer zonder goede drainage. Bij veel andere mensen is er snelle drainage doordat zij informatie snel verwerken. Maar bij mij, met mijn trage verwerking van informatie, is er een piepklein gaatje waarlangs de emmer veel te langzaam afvloeit. Het lastige is, dat ik overprikkeling niet voel aankomen; “opeens” is het zover en dan kan ik er helemaal niks meer bij hebben. Ik verdraag het dan niet als er een voorwerp thuis op een verkeerde plek staat. Ik verdraag geen vraag, geen geluid, geen muziek, niets. Ik voel me op die momenten vreselijk gespannen en onrustig, niet zozeer angstig. En doordat ik geen hoofd- van bijzaken kan onderscheiden, heb ik op zulke momenten het gevoel dat ik alles tegelijk moet doen.

De situatie van extreme overprikkeling is vreselijk naar, en nu ik weet hoe ik het kan voorkomen, komt het gelukkig veel minder vaak voor. Door de diagnose kreeg ik het inzicht dat ik veel trager informatie -sensorische input is ook informatie- verwerk dan gemiddeld. Dat inzicht, samen met het eerdere inzicht van prikkelgevoeligheid, gaf me handvatten om overprikkeling zelf te voorkomen. Het allerbeste is namelijk; vermijden dat de emmer volloopt. In een werkdag zitten wel prikkels, maar ook veel routine en voorspelbaarheid. Als ik zaken op routine kan doen, raak ik niet overprikkeld. Routines kosten weinig hersencapaciteit. Bovendien haal ik veel voldoening uit mijn werk met mensen. Mijn spreekuur heb ik in kleine blokjes opgedeeld, met pauzes ertussen om tot rust te komen. Thuis kijk ik al jaren nauwelijks TV meer. Ik spreek wel af met vrienden, maar liefst 1:1.