overprikkeling

In de jaren voordat bij mij de diagnose autisme werd gesteld, waren ik en mijn man al met het fenomeen “overprikkeling” bezig. We hebben kinderen (waarin ik soms natuurlijk mijzelf terug zie) en aan hen konden we heel goed merken wanneer ze overprikkeld waren; driftbuien, plots afzonderen of niet emotioneel bereikbaar zijn. Ik denk trouwens dat veel meer mensen last kunnen hebben van overprikkeling, maar bij mij is het extreem snel het geval. Ver voordat ik het “prikkels” ging noemen, noemde ik het “indrukken”. In 2008 had ik voor mijzelf vastgesteld dat ik hoogsensitief moest zijn. Een niet alom geaccepteerde diagnose, maar ik kon daar voor mijzelf wel redelijk mee uit de voeten. Ik ben extreem gevoelig voor allerlei sensorische input; geluiden, TL-licht, onduidelijke situaties, onrecht maar ook een (nare) sfeer.

Autisme wordt op verschillende manieren verklaard; er zou geen filter op de waarneming zitten, de informatieverwerking zou anders zijn. Voor mij is het allebei waar: ik kan slecht/niet filteren en heb moeite om veel informatie tegelijk te verwerken. Eén op één interactie gaat mij goed af, zeker in de doktersrol; de verwachtingen zijn duidelijk en ik kan goed luisteren en analyseren. Bij vergaderingen gaat het al lastiger; ik val vaak stil om de draad van het gesprek te kunnen volgen.

Wat is overprikkeling? Het is voor mij met stip op 1 de grootste last die ik van autisme heb. Voor mij is het alsof mijn hoofd helemaal vol zit, met allemaal indrukken die door elkaar flitsen. Mijn gedachten stoppen niet meer; één grote kermis van beelden, flarden van gesprekken en gedachten van mijzelf. “Hoe kan ik dit stoppen?!” Stoppen lukt niet, het enige dat helpt is zoveel mogelijk afscherming van (TL) licht, geluid en andere mensen. Het duurt uren en soms dagen voordat het voorbij is. Ik stel me zo voor dat mijn autistische brein snel volloopt als een emmer zonder goede drainage. Bij neurotypische mensen is er snelle drainage, maar bij mij een piepklein gaatje waarlangs het veel te langzaam afvloeit. Het lastige is, dat ik overprikkeling niet voel aankomen; “opeens” is het zover en dan kan ik er helemaal niks meer bij hebben. Ik verdraag het dan niet als er een voorwerp thuis op een verkeerde plek staat. Ik verdraag geen vraag, geen geluid, geen muziek, niets. Ik voel me op die momenten vreselijk gespannen en onrustig, niet zozeer angstig. Na een gewone werkdag ben ik standaard matig overprikkeld. Hier herstel ik goed van met een rustige avond zonder TV kijken.
De situatie van extreme overprikkeling is vreselijk naar, en nu ik weet hoe ik het kan voorkomen, komt het gelukkig veel minder vaak voor dan voor mijn diagnose. Voor mijn diagnose in 2014 wist mijn man het beter te voorkomen dan ikzelf. Door de diagnose kreeg ik veel handvatten om overprikkeling (zelf) te voorkomen. Het allerbeste is namelijk; vermijden dat de emmer volloopt. In een werkdag zitten wel prikkels, maar ook veel routine en voorspelbaarheid. Als ik zaken op routine kan doen, raak ik niet overprikkeld. Routines kosten weinig hersencapaciteit. Bovendien haal ik veel voldoening uit mijn werk met mensen. Ik denk dat ik mij goed kan concentreren op het verhaal van mijn patiënten doordat ik een eigen spreekkamer heb. Ik word ook bijna niet tussendoor gestoord, doordat ik geweldige doktersassistentes heb. Mijn spreekuur heb ik in kleine blokjes opgedeeld, met pauzes ertussen om “te ontprikkelen”. Thuis kijk ik al jaren nauwelijks TV meer en ik lees alleen selectief de krant. Ik spreek wel af met vrienden, maar liefst 1:1.